The Scene – Feest

Dit is onze plek. Altijd geweest. Aan de toog, naast de muziekinstallatie. Hij met de linkerelleboog op het hoekje: vroeger zowat altijd met een sigaret, soms brandend, soms niet, regelmatig in de rondte zwaaiend om zijn punt kracht bij te zetten. Nu scheurt hij bierkaartjes of tikt hij op de telefoon om te kijken hoe laat het is. Ik met de rechterschouder tegen de muziekkast, af en toe naar voren buigend om de tapper te feliciteren met de songkeuze of om vers bier te vragen. Toog, tafels en alkoven zijn goed gevuld. Het licht is gedimd, maar je ziet meer dan vroeger, nu er geen permanente mist meer hangt.

Of ik toevallig sigaretten bij heb. Neen en hij ook niet, dus nemen we maar een pakje voor de avond. Frank wil ons absoluut Gitanes verkopen en waarom ook niet want het is toch maar voor even.

Buiten gaat het over de zoon. Of de keuken. Het kan ook een recente promotie of conflict met de baas geweest zijn. Geen idee, want achter hem duwt zij de deur open. Ze ziet er wat netter uit dan tien jaar geleden. Zelfverzekerder op de hakken en de snit van de jurk ziet er niet langer confectie uit. Ze is alleen. Vreemd.

Weer binnen zet Frank “Mr Jones” op en we lachen. Hij haalt een anekdote op uit de studententijd en zingt ‘We stare at the beautiful women. She’s looking at you. I don’t think so. She’s looking at me’ en ik zie over zijn schouder hoe zij mij ziet. De helblauwe ogen schitteren in het licht van een halogeenspot. Ze draait snel haar hoofd weg en laat een lok tussen ons hangen. Ze praat verder met een vriendin die ik niet eerder zag.

Terwijl de laatste strofe van “Mr Jones” weergalmt, vertelt hij over toen aan dat tafeltje in de hoek ooit bleek dat — ook al ging ons battle plan van het omgekeerde uit — niet ik maar hij met onze date naar huis ging.

Ik denk aan toen ik jaren gelden aan het tafeltje ernaast zat. Toen zij en ik de hele nacht door praatten over de wereld en daar ook nog die hele nacht voor hadden. Babbels die altijd langer duurder en dieper gingen dan we wilden. Tot ze na een van de babbels zei dat ze haar geluk in Barcelona ging zoeken.

Hij praat intussen over een fantastisch recept voor everzwijn terwijl ik een Gitane in mijn mond stop dus we gaan nog even naar buiten. Ik denk en beslis dat ik me niet zo lekker voel en we gaan na nog eentje naar huis.

Hij vertelt onderweg over de film die ik echt nog moet zien. Aan de brug gaat hij naar rechts, ik naar links.

Twee straten verder draai ik terug. Terug naar het café, waar zij hopelijk nog is.

Zij en de vriendin trekken net hun jas aan wanneer ik de deur open duw.

“Hoi”

“Hoi”

De vriendin zegt dat ze al gaat want ze gaat anders de laatste tram missen.

“Hoe gaat het?”

“Kon beter. Blij dat je bent terug gekomen, want ik was al kwaad op mezelf dat ik niets was komen zeggen.”

Ze neemt me vast. Ik denk dat ik een traan tussen onze wangen voel.

 

 

 

Advertenties
Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Pièrre Bachelet – Elle est d’ailleurs

Door Kasper Nijsen

Het was mei en in Den Haag. Na mijn studietijd was ik Amsterdam ontvlucht en om onduidelijke redenen tussen de politici verzeild geraakt. Mijn Haagse onderkomen zie ik nog voor me: ruim en leeg, een donkere houten vloer, één zwarte wandkast, twee hoge ramen die uitzien over een binnenplaats. Als ik in herinnering die kamer binnenloop en een verraderlijke wind uit het verleden voel opsteken, hoor ik een stem die zingt:

“Elle a de ces lumières au fond des yeux,
Qui rendent aveugles ou amoureux.”

Destijds was ik ervan overtuigd dat ik behoorde tot de ‘amoureux’ waarover Pièrre Bachelet zingt in ‘Elle est d’ailleurs’ (1980). Inmiddels denk ik dat ik mij beter tot de ‘aveugles’ had kunnen rekenen.

Elle, dat was mijn Franse buurvrouw. Zij liep stage en ik deed vrij weinig, behalve luisteren naar licht pathetische muziek. Maar ’s avonds aten we samen, soms met andere huisgenoten erbij. Zo leerde zij me Frans en ik haar Engels; en ik begeleidde haar op gitaar terwijl ze in een wat duffe (nou goed: dromerige) stem de chansons van Pièrre Bachelet en Charles Aznavour zong.

Niets aan de hand, zou je zeggen. Maar toen werd het zomer en kwam l’amour in het spel; en het was destijds mijn vaste gewoonte om daar een minimum aan plezante en een maximum aan genante momenten uit te distilleren. De details kunnen we achterwege laten, maar laten we zeggen dat het al gauw eenrichtingsverkeer was, zo niet een doodlopende weg. Toen de zomer teneinde liep, zag ik dan ook met gemengde gevoelens uit naar de dag dat zij zou terugkeren naar Frankrijk.

Het werd september: de dagen werden korter, bladeren vielen…. Afijn, de rest vult u zelf maar in, naar gelang uw behoefte aan sentimentele details. Nog één keer zag ik haar, en die avond moest en zou zij ‘Elle est d’ailleurs’ zingen met mij op gitaar. Nu goed, ik wilde geen spelbreker zijn. Maar terwijl zij zong en ik de akkoorden speelde – hier en daar naar eigen smaak doorspekt met een bittere dissonant – hoorde ik alleen de laatste regel van het refrein.

De naam van deze Franse schone weet ik niet meer, maar die ene zin is me bijgebleven:

“L’amour pour elle est sans valeur:
Pour moi c’est sur: elle est d’ailleurs.”

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Ramses Shaffy & Liesbeth List – Pastorale

Door Elisabeth De Schutter

Toen ik klein was in ons vorige huis, hadden we cd’s met kleinkunst. Dubbele of zelfs driedubbele verzamelcd’s, groen, geel en blauw. Later ontdekte ik dat er ook een rode was, maar die hadden we niet. Wat ik ken van kleinkunst, ken ik van deze cd’s.

Op een van deze cd’s staat het liedje van Liesbeth List en Ramses Shaffy samen, over houden van de zon. Dat heet “Pastorale” maar ik kende dat woord niet, en omdat ik het niet kende, kon ik het ook niet onthouden. In mijn hoofd heette het liedje ‘van de zon houden’. Ramses Shaffy roept ergens in het liedje “je kan niet houden van de zon,” en ik vond dat niet waar. Ik was Icarus avant ma conscience de lui.

Liesbeth List zingt de hele tijd “ik heb je lief zo lief.” Ik vond het heel grappig dat Liesbeth List tegen Ramses Shaffy zong dat ze van zijn lief hield. Ondertussen zingt Ramses Shaffy dat Liesbeth List niet van de zon mocht houden. Ergo het lief van Ramses Shaffy is de zon, wat volgens hemzelf niet mag. Iets klopte niet, dat wist ik.

Toen ik dat aan mijn papa zei, van “dat klopt toch niet, papa” zei hij dat ik de komma niet gehoord had. Dat vond ik heel grappig. Alsook was ik trots dat ik dat begreep.

Aan dit liedje moet ik denken, telkens wanneer ik een berichtje naar mijn lief stuur.

Ik hou van je lief.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Amy Winehouse – Free Nelson Mandela

Door Geert Simonis

Er is een meisje doodgegaan.

Bijzondere meisjes hebben nauwelijks tijd nodig om een onverslijtbare indruk te maken. Een rosse die ik maar bleef tegenkomen in Bobbejaanland. Een blondje op een fuif op een boot in een stad. Een figurante die twee seconden in beeld komt tijdens het “The birth of rave culture. The beatification of the beat. The dance age.”-praatje in 24 Hour Party People van Michael Winterbottom.

In het Happy Mondaysnummer waaraan de film zijn titel ontleent, bezweert poëet/hofnar/junkie Shaun Ryder de luisteraar: “Press the pause of the self destruct!” Het moge duidelijk zijn dat het die pauzeknop is die Amy Winehouse nooit heeft weten te vinden.

Of zij een onverslijtbare indruk heeft gemaakt, moet nog blijken. Een dik half uur had ze gekregen om mij te verleiden. Een kleine Pukkelpoptent, zegge en schrijve 2004. Twee jaar voor Rehab haar tot allemanseigendom maakte.

Ik durf oprecht te hopen dat mijn begrafenis (nu ja, crematie) ook een soort feestje kan zijn. Gans onbeschaamd vermoed ik dat Amy dat ook wil voor haar afscheid. Laat ons daarom collectief schateren met de dansmoves van Paul Rodgers in dit filmpje.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Bobby Martell – One cup of coffee

Door Geert Simonis

Ik ben opgegroeid in de Congo waar mijn familie koffie teelde. Tropisch geluk tot aan de onafhankelijkheid. Op een avond kwamen Lumumba, Kasavubu en hun trawanten met knuppels, toortsen en slechte bedoelingen. Wat los zat, werd geroofd. Wat vast zat, werd vernield. Wat overbleef, werd afgebrand. Heel de nacht rook naar cappuccino.

Vroeger verkondigde ik te pas en te onpas dat ik reggae haatte. Nu houd ik het op: ik heb niets met reggae en zijn ongekroonde keizer Bob Marley. Dat heet opgroeien. Dit lied, Bobs tweede single, is zo oud dat hij zijn eigen naam nog niet gebruikte. Zo oud dat het meer naar cafeïne dan naar reggae ruikt. Mogen rastafari’s eigenlijk wel koffie drinken?

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Clouseau – Anne

Door Liesbeth Schulpé

Een tijdje geleden vertelde ik mijn vriend over een cassettebandje waarop mijn oudere zus en ik liedjes zingen, zij zes jaar oud, ik vier. In de loop van de jaren dook dat cassettebandje af en toe op wanneer we in de witte ladekast op zoek waren naar andere dingen en dan werd het altijd even opgezet. Ik was duidelijk te herkennen aan de hoge piepstem waarmee mijn zussen me dan plaagden. Als tiener was ik dat geplaag ooit zo beu dat ik het bandje voor eens en voor altijd verstopt heb in de hoop dat het nooit meer gevonden zou worden voor ik dat zelf wilde.

Eén van de liedjes op dat cassettebandje was Anne van Clouseau. Bij het meezingen perste ik met mijn piepstem alle lucht uit mijn longen om de Anne! aan het begin van het refrein voldoende tot zijn recht te laten komen, terwijl zus de strofes voor haar rekening nam. Zo ging het ook op het cassettebandje, waarop ook duidelijk te horen is hoe ik het woord blijven in de zin “die momenten zouden eeuwig moeten blijven duren” mooi lang aanhield, opdat het echt heel lang zou blijven duren.

De zangsessies vonden plaats in het huis van onze toenmalige buren. Tussen onze tuinen was er een haag met aan de zijkant een klein geel hekje. Na school of tijdens het weekend gingen mijn zus en ik via dat gele hekje naar het grote witte huis aan de andere kant van de haag waar we een koek kregen aan de keukentafel. Hoewel ze geen familie was, noemden we de buurvrouw moeke, omdat zij dat zo graag wilde. Wanneer ook de tweede en de derde koek op waren, gingen we spelen in hun kelder. Schuin tegenover de voorraadkast waar de chocomelk stond, was daar een grote speelkamer waar haar eigen kinderen vroeger ook hadden gespeeld. Er waren spelletjes en ballen en stripalbums, maar ik herinner me vooral het groene tapijt dat ruw was en prikte aan onze blote knieën.

Toen er ook een derde zusje kwam, verhuisde ons gezin naar de andere kant van het dorp en maakten we huiswerk in plaats van blokkentorens. Nog later kreeg moeke zelf kleinkinderen maar telkens wanneer we haar zagen in het dorp vertelde ze aan wie er ook naast haar stond van hoe Hanneke en Liesbethje vroeger bij hen thuis kwamen spelen in de kelder. Als sopranen stonden zij en mijn moeder naast elkaar in het kerkkoor en ze was aanwezig op al onze communiefeesten. Af en toe gingen we nog eens op bezoek in het grote witte huis, maar in de kelder ben ik nooit meer geweest.

Op een avond in oktober had ik vier gemiste oproepen en twee berichtjes. Aan de telefoon vertelde mijn moeder me dat moeke de voorbije nacht onverwacht gestorven was aan een hersenbloeding.

Een tijdje geleden reden wij ’s nachts naar huis van een feestje. Het was net half twee geweest en toen we bijna aan de brug over het kanaal waren, reden we langs het huis van moeke. De lichten in de woon- en eetkamer waren nog aan. Mijn zus vertelde de volgende dag dat haar man ’s avonds langer opblijft opdat de nachten sneller voorbij zouden gaan om dan ’s morgens vroeg als eerste en enige naar het kerkhof aan de overkant van de straat te gaan.

Zaterdag was het kerstconcert van mijn moeders koor. De mevrouw die nu naast haar staat ken ik niet. Terwijl wij ons door de sneeuw naar de kerk haastten, liepen wij langs ons oude huis. De rest van de avond kon ik enkel nog denken aan het hekje naar het grote witte huis, aan puzzels op de grote tafel in de eetkamer, aan zomerdagen in de tuinen, aan de ontelbare keren dat we in kleermakerszit voor de tv naar The Sound of Music hebben gekeken – dat die momenten misschien niet eeuwig maar toch langer hadden moeten blijven duren.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Lionel Richie – Do it to me

Door Jeroen Deblaere

Ze trekt het portier van de auto dicht en vooraleer ze de wagen start, controleert ze of alles in orde is. Ze bekijkt de frigobox die geklemd staat tussen mijn zetel en de achterbank. “Hebben we alles mee?” vraagt ze me ongerust. Ik kantel mijn hoofd, trek mijn onderlip een klein beetje omhoog en vertel haar dat ik het niet weet. Ik ben tien en zij is negenendertig.

Ze kijkt zenuwachtig in het rond. De koffers, de tassen, de flesjes spuitwater en de Grany-koekjes voor onderweg. Omdat ze al in de auto zit, heeft ze moeite om haar jas uit te trekken. Vermoeid gooit ze hem op de achterbank. “Ben je zeker dat je niet meer moet plassen?” Ik schud het hoofd, terwijl ik het eerste Grany-koekje in zijn geheel in mijn mond pers. Ze zet haar handen op het stuur, controleert of de spiegels juist staan, laat een diepe zucht en draait dan de contactsleutel om.

De radio springt meteen aan, maar zij zet hem kordaat uit. Ze moet zich concentreren, weet ik. Langzaam rijden we onze straat uit. Meteen slaan we af in een richting die we nooit eerder namen. Hoewel het ontiegelijk vroeg is – “anders zijn we veel te laat ter plekke” – ben ik vrolijk, en ik kijk uit naar wat komen zal.

Het cassetteje ligt al de hele tijd op het dashboard van de auto. Ik neem het in mijn handen, en bekijk het hoesje nauwkeurig. In haar handschrift staan de titels van de liedjes op een wit,  inmiddels vaal geworden, blaadje met lijntjes geschreven. Op de zijkant van het hoesje staat in drukletters: LIONEL RICHIE – BACK TO FRONT. De boodschap vult de volledige ruimte.

Terwijl ik wacht, zoek ik op de wegenkaart, die te groot is om comfortabel te gebruiken in een auto, de route die we volgen. We rijden door Kooigem, doorkruisen Pecq en in Doornik nemen we de autosnelweg richting Bergen en Namen die ons uiteindelijk op onze bestemming zal brengen. Ik geef aanwijzingen en plooi de kaart op ingenieuze wijze om, zodat ik kan helpen de reis zo vlot mogelijk te laten verlopen.

Nadat we voorbij Froyennes zijn, drukt ze op het knopje van de autoradio. Schuchter begint de radio te spelen. Enfin, spelen; we horen wat Frans gebabbel, verstoord door afschuwelijk veel geruis. De autosnelweg tussen Doornik en Bergen heeft niet de beste ontvangst. Voorzichtig haal ik de cassette uit haar hoes en geef ze aan haar. Zij duwt de cassette in de radio en drukt op een knop. We kijken allebei naar de radio en wachten op de muziek. Tot een saxofoon uit de kleine luidsprekers in onze auto weerklinkt. “Girl, you’re such a bad thing, standing there all day long,” zingt Lionel. En wat later: “Do it to me one more time, baby, can’t get enough of your love.”

Op slag vertoeven wij in onze eigen wereld. Zij droomt van een man, ik weet niet van wie. Zij weet eigenlijk ook niet van wie. Het is niet Lionel Richie, had ze me al eens verzekerd. Zij droomt van een ander leven. Ik tuur het raam uit en droom van het riviertje waarop we straks zullen kajakken. Ik droom ook van de sandwiches met preparé-americain in de frigobox die wij binnen drie uur zullen opeten. Maar zij zingt mee, en ook ik laat me niet kennen: “You’re my motown lover, girl of my dreams!” zing ik zonder te begrijpen wat ik zeg. Het moet er uiteindelijk van komen; tijdens de bridge laten we ons allebei gaan en met volle kopstem proberen we Lionel zo goed mogelijk te begeleiden: “Oeoeoeoeooeoeoeoe!” We barsten in lachen uit. Dat ik naar het toilet moet, heb ik al een uur verzwegen. Ik ben bang dat ik de pret zal bederven.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen